“Tijd om te oogsten”

Feestelijke opening Bos en Lommerplantsoen – 26 juni 2013

Toespraak Pauline de Bok | Vereniging Stadstuin Bos en Lommer

Jarenlang stonden hier, in het hart van Bos en Lommer, auto’s, marktkramen, schoolbarakken. Met de nieuwbouw op de hoek van de Bos en Lommerweg en de Hoofdweg werd dit winderige terrein vijf jaar geleden ineens een beschutte plek. De kramen en barakken verdwenen, wat bleef was de modernistische vijver met pergola.
Toen ik voor het eerst vanaf mijn nieuwe balkon naar beneden keek, was het hier een bouwput. Mijn ogen bleven haken aan het groenkoperen dak van de pergola. Het werd mijn eerste vergezicht, die vijver was een belofte voor een groene oase tussen stoere gebouwen.
En dat bleek niet alleen voor mij zo te zijn. Oude bewoners van Bos en Lommer begonnen altijd over de vijver: hoe vaak hadden ze er niet gezeten terwijl hun kinderen in het water speelden. En de inmiddels volwassen kinderen vertelden over spetterende zomers in het pierenbad. De bewoners van vroeger maakten zich zorgen, de vijver begon te vervallen. Dat zeiden niet alleen zij, maar ook de nieuwkomers aan het plantsoen. De vijver moest blijven, daarover was iedereen het eens.
De vijver was het begin. Hij vormde de schakel tussen vroeger en nu, tussen oude en nieuwe bewoners, tussen klassieke en moderne opvattingen over het buitenleven in de stad.

Maar, zo vond het stadsdeel, voordat er iets kon gebeuren, moest het GAK-gebouw een nieuwe bestemming hebben gevonden. Dat kon jaren gaan duren, vermoedden we, de crisis was net uitgebroken. Wij, Collagebewoners keken uit op de vlakte en vreesden voor een onherbergzame grasmat, waar honden en zwerfvuil vrij spel hadden en waar verder niets of niemand was.
We keken naar de vijver en staken de koppen bij elkaar. Het was tijd voor burgerlijke ongehoorzaamheid in een modern groen jasje: guerilla gardening. Op een zaterdag in mei 2009 legden we illegaal een tuinstrook aan langs de ingang van de parkeergarage.
Van de toenmalige stadsdeelvoorzitter, Jeroen Broeders, kregen we al snel het voordeel van de twijfel, maar de Bos en Lommerse ambtenaren leden nog aan koudwatervrees: actieve burgers zijn lastige burgers, daar kan alleen maar gedoe van komen. Maar uiteindelijk kregen we een contract en hadden officieel de grootste geveltuin van Amsterdam.
Toen de Gerrit Rietveld Academie na lang aarzelen haar neus ophaalde voor het GAK en iedereen verwachtte dat het gebouw nog jaren leeg zou blijven, nam het stadsdeel een moedig besluit: het plantsoen zou alvast worden omgetoverd tot een aanlokkelijke groene ruimte. En het koos voor een intensief ontwerpproces met ambtenaren, buurtbewoners en ambitieuze professionals die lef en visie hadden. Ik noem de twee pijlers: Niek Roozen, de landschapsarchitect die verder keek dan zijn neus lang was, en Gerda Brethouwer, de onvermoeibare begeleider van het proces.

Het begon al heel hoopvol. Niek Roozen legde de ontwerpgroep twee alternatieven voor: een strak geometrisch plan én een romantisch meanderend plan. Ik was stomverbaasd dat bijna iedereen voor de geometrische variant koos. Want die, zo vond men, paste het best bij deze plek. Ik denk dat vijver en pergola stilletjes hun triomf vierden.
Het was de start van een wonderlijk harmonieus verlopend ontwerpproces. En nu kijken we met z’n allen naar het resultaat: het Bos en Lommerplantsoen, met in het hart een Stadstuin in handen van bewoners, is groene openbare ruimte op zijn best, stedelijkheid op menselijke maat, een plantsoen dat mensen naar buiten lokt.

Achteraf mogen alle betrokkenen blij zijn, en trots en ik denk dat iedereen veel heeft geleerd.
Laat ik voor mezelf spreken:
Ik kwam erachter dat het eeuwige Amsterdamse gekanker ook een vorm van betrokkenheid is. En niet altijd de slechtste.
Ik heb gemerkt dat de weerspannige trage ambtenarij vleugels kan krijgen en daadkracht kan tonen.
Ik heb gezien hoe groot het hart van politici voor de publieke zaak is en hoe onverstoorbaar ze doorgaan, al worden ze nog zo vaak voor zakkenvullers en alles wat lelijk is uitgemaakt.
Ik heb ontdekt hoeveel kennis en ervaring in de Robert Scottbuurt en in heel Bos en Lommer voor het oprapen ligt. Om maar een greep te doen: Joop en Jopie, die hun leven lang een volkstuin hebben gehad, Cennet Çevik en haar ouders, die in hun Turkse dorp altijd hun eigen groente hebben verbouwd, mijn naamgenoot Pauline Walkers, een tuindersdochter uit de Bollenstreek, Roelof van Benthem, een voormalige Wageningse student. En ik heb gemerkt hoeveel hoofdwerkers warm lopen voor de ideeën van de eetbare stad en duurzaamheid, hoevelen er in de aarde willen wroeten, groene vingers willen krijgen en het hun kinderen gunnen dat ze opgroeien met de natuur binnen handbereik.

Het is gelukt: de vijf jaar van vergaderen, overleggen, lobbyen, kissebissen en volhouden zitten erop. Iedereen heeft erbij gewonnen. Als stadsmensen zitten we veel binnen, soms lijken we haast vergeten wat we buiten allemaal kunnen doen. Nu hebben we de ruimte om te zaaien, te planten en te oogsten. In de perken van de Stadstuin groeit veel goeds van de aarde. We kunnen samen tuinieren, zorgen voor wat leeft. We hebben de ruimte om te spelen en te niksen op een plek buiten waar we thuis zijn. We zijn tegelijkertijd stedelingen gebleven en een dorp geworden.

We mogen in onze handen knijpen dat we zo’n mooi plantsoen hebben gekregen, met de huidige crisis was dat vast nooit meer gelukt. Ik hoop dat we het Bos en Lommerplantsoen als openbare groene ruimte zullen delen en hoeden. Gastvrij, open en met vertrouwen in elkaar. Want het plantsoen is van de hele buurt.

De reacties zijn gesloten.